Nooit te veel: Een gesprek met illustrator Olimpia Zagnoli
De in Milaan gevestigde ontwerpster van de officiële poster voor de Olympische Winterspelen van 2026 maakte zich ooit zorgen dat haar verzadigde kleuren en de personages die het beeldvlak overvol maakten misschien "te veel" zouden zijn. In plaats daarvan werden ze juist haar superkracht.
Tekst: Christine MacLean
Fotografie door: Laure Joliet
Published: 6 februari 2026
In Milaan werkt Olimpia Zagnoli in een atelier aan een binnenplaats, gevuld met kleurrijke en geestige objecten die duidelijk tekenend zijn voor haar. Met haar kenmerkende werk dat ze heeft gemaakt voor The New Yorker en The New York Times, naast illustraties voor Dior en Prada, is ze nu een bekende naam als een van de meest herkenbare illustratoren van vandaag. We bezochten haar thuis en in haar atelier om te praten over haar creatieve proces, de schok die ze voelde toen ze voor het eerst het werk van Alexander Girard zag, en welke richting ze in de toekomst in wil slaan.
Hebt u altijd al gedacht dat u uzelf via kunst zou uiten of is dat iets wat u na verloop van tijd hebt ontdekt?
Ik kom uit een kunstenaarsfamilie. Mijn vader is fotograaf. Mijn moeder is schilderes. Ik voelde me niet echt aangetrokken tot dat soort dingen. Maar er was één ding dat ik altijd deed en dat was tekenen. Dat was voor mij altijd een soort planeet waar ik naartoe kon om mijn gedachten de vrije loop te laten en me in mijn eentje, liggend op de vloer, te concentreren op mijn verhalen en personages. Daar was altijd een gevoel van rust en privacy, omdat dat mijn eigen wereldje was.
Hoe is uw relatie met kleur begonnen en hoe is die veranderd naarmate u zich in uw werk hebt ontwikkeld?
Mijn leven voordat ik op zesjarige leeftijd van Reggio Emilia, een stad in het noorden, naar Milaan verhuisde, was heel kleurrijk. Milaan was een stad van bedrijven, een grijze stad. Als ik om me heen keek leken alle kinderen wel kleine zakenmensjes, met heel elegante kleding en perfect haar. Ikzelf had kort haar en droeg heel kleurrijke kleding. Mijn relatie tot kleur veranderde volledig omdat ik me de vreemde eend in de bijt voelde. Maar tegelijkertijd veroordeelde ik de achtergrond waar ik vandaan kwam niet en ik wilde ook niet drastisch veranderen.
Ik heb altijd het gevoel gehad dat mijn relatie tot kleur essentieel was om mezelf uit te drukken en ook om geaccepteerd te worden om wie ik was. Maar toen ik van tekenen mijn beroep maakte, voelde ik een zekere gêne om te veel kleuren te gebruiken. Ik had het gevoel dat ik in creatief opzicht niet krachtig genoeg was om echt helemaal los te gaan. Ik ben dus heel voorzichtig begonnen. Pas door te oefenen en te groeien als kunstenaar en als vrouw en door beter te begrijpen wat mijn plaats in de wereld was, voelde ik meer vrijheid om meer kleur toe te voegen – om combinaties te maken die voor mij extreem voelden. Stapje voor stapje ontwikkelde ik een dialoog met deze kleuren.
Uw poster voor de Olympische Spelen van Milaan Cortina 2026 is nu al bijna iconisch. Wat was de inspiratiebron voor uw aanpak?
Het idee achter de poster was om zowel de atleten die aan de Olympische Spelen deelnamen als alle toeschouwers op de tribune of mensen die de spelen thuis op tv keken in het zonnetje te zetten. Iedereen brengt een stukje van zijn of haar persoonlijkheid mee naar het evenement en dat wilde ik benadrukken. Zowel de omlijsting van de poster als het gebruik van een bril zijn elementen die ik in mijn visuele vocabulaire gebruik. De kleuren van de poster zijn geïnspireerd op de Olympische ringen, die het kleurenpalet van het kunstwerk bepalen.
Toen ik [mijn carrière] begon, waren mijn personages vaak klein en afgebeeld in een hoekje van een illustratie. Langzaam maar zeker werden ze groter, zowel in fysiek opzicht als qua benodigde ruimte. Ik kon mijn personages, met name vrouwen, meer ruimte geven in het geheel, waardoor ik de grenzen zo ver oprekte dat het personage er bijna doorheen brak. Het is nu heel natuurlijk om mensen op de voorgrond te plaatsen.
Uw huis en atelier voelen heel persoonlijk aan. Wat beïnvloedt de manier waarop u ze vormgeeft?
Mijn moeder heeft een passie voor design. Zij was degene die me voor het eerst met de Eameses liet kennismaken. Haar smaak is overal om me heen terug te vinden, ook al komt dat niet helemaal tot uiting in wat er bij haar thuis te vinden is. Ze heeft een smaak die meer typerend is voor het midden van de vorige eeuw. Ik heb me laten inspireren door die voorbeelden maar heb er ook mijn eigen persoonlijke inspiratie aan toegevoegd, gefilterd door de reclame, verpakkingsontwerpen, snoep en plastic voorwerpen uit de jaren '80. [Dat heeft geleid] tot kenmerken die nu bepalend zijn geworden voor mijn beeldtaal.
Welk deel van uw atelier voelt als het ware hart ervan?
Ik heb enorm veel geluk, want mijn atelier heeft een groot houten raam met uitzicht op de binnenplaats en daar staan twee gigantische magnolia's. Dat is wat ik zie als ik aan het werk ben. Dat is mijn verbinding met de buitenwereld. Als illustrator werk je vaak alleen. Het is fijn om een raam te hebben dat je eraan herinnert dat er een wereld daarbuiten bestaat, zo'n verbinding met een beetje natuur brengt je terug naar wat belangrijk is.
Wat is uw creatieve proces?
Het proces is nogal rommelig, in die zin dat ik een klein schetsje maak in een hoekje van mijn agenda en dan ga ik naar het café en teken ik iets op een suikerzakje of zoiets, weet je. Het is dus nogal een chaos om al die inspiratie, gedachten en andere dingen te verzamelen. Maar het uiteindelijke resultaat voelt beheerst en verfijnd aan. Ik ben zolang bezig met nadenken dat ik, wanneer het tijd is om daadwerkelijk met het materiaal aan de slag te gaan of een illustratie af te maken, dat in een paar uur klaarspeel omdat daarvoor alles al gedaan is, zoals het denkproces.
Toen Herman Miller de "chiclet"-bank opnieuw op de markt bracht, zag Zagnoli, een fervent bewonderaarster, dat als teken dat ze er een voor haar huis moest kopen. Ze heeft ook nog drie andere rode zitbanken. "Als het tijd is om een bank te kopen, denk ik altijd: 'Oké, deze keer wordt hij niet rood', en uiteindelijk kies ik dan toch weer een rode," zegt ze.
Vertel me het verhaal achter je rode "chiclet"-bank.
Tijdens de coronapandemie vond ik dit appartement in een gebouw van architect Gio Ponti. Ik voelde me aangetrokken tot een strakke esthetiek zoals die van Bauhaus en ik wist dat ik die strakheid wilde doorbreken. Ik heb honderden banken bekeken en de chiclet was een van mijn favorieten, maar ik kon nergens een vintage exemplaar vinden. Toen werd de bank eindelijk opnieuw uitgebracht en ik dacht: "dat is een teken".
Ik ben ook zo dol op snoep dat ik er zelfs een boek over heb geschreven. Chiclet is de benaming voor kauwgom in sommige regio's in Italië, dus ik zie naast de zachtheid, de ronde vorm en de kleur nog een andere overeenkomst. Ik vind dat het erg goed bij mijn stijl past.
U kwam in aanraking met het werk van Alexander Girard nadat u uw eigen beeldtaal al had ontwikkeld. Hoe was dat moment?
Ik was bijna sprakeloos want ik voelde de schaamte van "Oh mijn God, iemand heeft het al eerder gedaan en nu lijkt het alsof ik het gekopieerd heb", wat volgens mij vrij gebruikelijk is onder kunstenaars. Ook was ik geschokt dat iemand anders dezelfde verbondenheid kon hebben met de manier waarop je lijnen en kleuren gebruikt en hoe je iets uit de natuur, uit het echte leven, in een vorm kunt gieten.
Zijn er andere Herman Miller-ontwerpers met wie u zich bijzonder verwant voelt?
De Eameses, zonder twijfel. Ik heb gehuild toen ik voor [het Eames House in Pacific Palisades in Californië] stond, omdat ik een diepe verbondenheid voelde in de zorg voor details, de kleuren, de materialen, voor het soort leefruimte die je in staat stelt creatief en vrij te zijn. En George Nelson. De manier waarop hij vormen gebruikt heeft iets speels dat mij altijd blijft boeien.
Ik zie dat u ook een limited edition Steinberg Eames Chair heeft!
Steinberg is de illustrator, bijna een popster voor mij. Ik heb zijn werk en werkwijze altijd met grote belangstelling gevolgd. Toen de Steinberg limited edition uitkwam, vroeg ik een vriendin: "Gaan we die kopen?" Ze zei ja, een besluit dat midden in de nacht werd genomen, in zo'n impulsieve bui van: "Oké, we doen het!"
Italië kent een rijke designgeschiedenis, van Mussolini's propagandaposters tot Munari's radicale eenvoud. Waar plaatst u zichzelf binnen die traditie?
Absoluut zo ver mogelijk van Mussolini vandaan. Hopelijk heel dicht bij Bruno Munari. Ik groeide op met de kinderboeken van Munari en hoe ouder ik werd, hoe meer ik in aanraking kwam met nieuwe aspecten van zijn werk. Zijn gevoeligheid in observeren is heel Italiaans, omdat het lijkt alsof hij in een café zit, de wereld om zich heen bekijkt en vragen stelt. Ik heb nog steeds het gevoel dat dat het belangrijkste is wat je in het leven kunt doen: andere mensen, steden en ontwerpen doorzien door te observeren en te begrijpen wat mensen willen en nodig hebben en waarom.
Welk project heeft voor u de meeste betekenis gehad?
Ik vond het erg leuk om voor de MTA [Metropolitan Transportation Authority] in New York te werken. Ik maakte in 2014 een poster met de titel "New York View". Die hing in elk metrostation en ik kreeg al snel heel veel berichten en foto's van gewone mensen die elke dag met het openbaar vervoer reisden. Dat maakte me erg emotioneel, omdat mijn werk een heel eenzaam karakter heeft. Het was zo indrukwekkend omdat beeld zo krachtig kan zijn. Het hoeft niet vertaald te worden. Mensen reageren er gewoon op. Het is een groot voorrecht om voor deze kracht als kanaal te kunnen fungeren.
En als u helemaal geen ontwerper zou kunnen zijn, wat zou u dan kiezen?
Ik zou graag een ijssalon runnen met hele creatieve ijssmaken. Die zouden op kleur gebaseerd zijn. Je kunt dus een blauwe en een rode hebben, of een gele en een paarse. Het klinkt niet gezond maar ik zou wel heel goede kleurstoffen gebruiken.
Aan wat voor projecten zou u nu nog graag willen werken?
Het verandert elke dag maar ik zou graag met een production designer aan een film werken, om me bezig te houden met interieurs en de visuele aspecten van films. Ik zou ook graag een documentaire maken over mensen die op hun duim zuigen en ik zou graag meer kunst maken voor openbare ruimten, zoals een fontein.